Schrijf je peiler of pijler als je een 'steunpilaar' bedoelt?
Pijler ('steunpunt', 'paal') wordt met lange ij gespeld en peiler ('iemand die peilt') met een korte ei.
Pijler is een 'bijvorm' van pilaar, afgeleid van het Latijnse pila of pilarium ('zuil'). De ij werd vroeger uitgesproken als een 'lange' i; wijf rijmde dus op dief.
Van het werkwoord peilen ('de diepte of hoogte meten', 'de hoeveelheid bepalen') kan op regelmatige wijze de persoonsnaam peiler worden gevormd ('iemand die peilt'). De oorspronkelijke vorm van peilen is pegelen ('van een pegel voorzien', 'met een pen of merk de inhoud aangeven'). De klanken -eg- zijn geworden tot -ei-, net zoals bijvoorbeeld in zei(de) (van zegde) en zeil (van zegel, vgl. Duits Segel).
Brei / brij
Gevlei / gevlij (in het - komen)
Pijl / peil (geen - op te trekken)
Pubertijd / puberteit
Stampei / stampij
Uitwijden / uitweiden
Vleien / vlijen
Wijds / weids
Wijfelen / weifelen
A. van Loey, Schönfelds Historische grammatica van het Nederlands, 8e dr., Zutphen, Thieme, 1970, p. 77
Nederlands etymologisch woordenboek (1997); Grote Van Dale (2005); Schrijfwijzer (1995) , p. 191; Prisma Stijlboek (1993) , p. 206; Nieuw stijlboek Volkskrant (1997) , p. 5; De Vries en De Tollenaere (1997); WNT; Woordenlijst (2005)