Is er een betekenisverschil tussen geneigd zijn om iets te doen en genegen zijn om iets te doen?
Ja, er is betekenisverschil. Geneigd zijn om/tot drukt een gezindheid uit terwijl genegen zijn een gunstige gezindheid weergeeft.
De geraadpleegde woordenboeken geven weinig uitsluitsel omdat ze beide woorden grotendeels in dezelfde termen beschrijven. De enige manier om vast te stellen of geneigd om te synoniem is met genegen om te is te kijken wat er bij verwisseling in een zin gebeurt:
(1) Ik ben geneigd hem gelijk te geven.
(2) Ik ben genegen hem gelijk te geven.
Zin (1) - beschouwd in oppositie met zin (2) - heeft als parafrase: 'ik denk wel dat hij gelijk heeft'. Zin (2) moet dan eerder geparafraseerd worden als: 'ik wil hem wel gelijk geven'.
WNT IV, kol. 1514
|
genegen |
geneigd |
|
| Grote Van Dale (2005) |
1 neiging, lust tot iets hebbend: hij is niet genegen toestemming daartoe te geven; hij is tot medewerking genegen; 2 (in zwakkere opvatting) bereid: gevraagd een telefoniste, ook genegen enig administratief werk te verrichten; 3 gunstig gezind, welwillend: (m.betr.t. personen) iem. genegen zijn, hem toegenegen zijn, welwillend, gunstig jegens hem gestemd zijn; zijn verzoek vond een genegen oor, een welwillend gehoor |
1 een natuurlijke neiging tot iets hebbend: de mens is geneigd tot zondigen, zijn aard brengt dat mee; 2 (in zwakkere opvatting) neiging tot iets gevoelend, t.w. in bep. omstandigheden: zij scheen geneigd hem te geloven; ik zou bijna geneigd zijn dit te aanvaarden |
| Van Dale Hedendaags Nederlands (1996) |
0.1 bereid 0.2 gunstig gezind |
neiging tot iets hebbend |
| Van Dale Handwoordenboek (1996) |
0.1 neiging, lust tot iets hebbend 0.2 gunstig gezind (...) => nijgen |
neiging tot iets hebbend (...) => neigen |
| Grote Koenen (1986) |
1 gunstig gezind: iem. ~ zijn; 2 (min of meer weloverwogen) lust, neiging hebbende tot: hij voelt er zich toe ; 3 (in verzwakte bet) a) tot iets bereid; geen bezwaar tegen iets hebbende; b) geneigd tot, van nature neiging tot iets hebbende: gevraagd een hulp in de huishouding, ook ~ verstelwerk te doen |
overhellende tot, neiging tot iets hebbende; genegen (bet. 2): ~ tot luiheid; ~ zich het ergste voor te stellen |
| Wolters-Koenen (1996) |
1 gunstig gezind: iem. ~ zijn; 2 (min of meer weloverwogen) lust, neiging hebbende tot: hij voelt er zich toe ; 3 tot iets bereid, geen bezwaar tegen iets hebbende: gevraagd een hulp in de huishouding, ook ~ verstelwerk te doen; 4 geneigd |
overhellende tot, neiging tot iets hebbende; genegen: ~ tot luiheid |
| Kramers (1996) |
I volt deelw van nijgen; II bn 1 gunstig gezind: iem. ~ zijn; 2 geneigd tot, bereid tot: het bestuur was niet ~ om op de wensen van de leden in te gaan |
neiging gevoelend tot; overhellend tot |
| Verschueren (1996) |
1. lust hebbend tot, bereid tot: zich tot medewerking - voelen; hij is niet - om op reis te gaan. Syn. geneigd. 2. goed, gunstig gestemd jegens, toegenegen: iemand erg - zijn |
1. neiging, een natuurlijke trek tot iets voelend: uit zijn aard, van nature uit tot luiheid -. 2. overhellend tot: - om toe te stemmen. Syn. genegen |
| Spectrum woordenboek (1994) |
- gunstig gezind: (aan) iem. genegen zijn; - geneigd, bereid (TOT iets; OM, TE) |
neiging of zin voelend (TOT iets; OM, TE) |
| Taalwijzer (1998) |
betekent: neiging, lust tot iets hebben. Genegen heeft een zekere bijklank; degene van wie het gezegd wordt, stelt zich toegeeflijk op, verleent a.h.w. een gunst. |
betekent: van nature neiging, lust gevoelend iets te doen, overhellend tot. |